Preek zondag 16 september

Preek Ds. T. Bouw bij Marcus 9 :  14 - 29.

Protestantse Gemeente Zaltbommel i.w. Zondag 16 september 2018 (bijeen in het Anker)

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Achttien jaar was ze.

Tot dan een vrolijke puber. Toen kwam het.

De angst aanjagende stemmen

de bizarre waanbeelden

het vreemde gedrag

die bezeten blik.

Haar zeer gelovige moeder

zag demonische krachten

en dus werd eerst niet de dokter

maar een gebedsgenezer ingeschakeld

en duurde het lang voordat

een diagnose kon worden gesteld.

 

Wie van dichtbij zelf te maken heeft gehad

met de ziektebeelden van

schizofrenie en van psychoses

weet hoe angstig en vervreemdend dit vaak is

voor de persoon zelf

en haar of zijn omgeving.

Kan zich bij de reactie van die moeder

wellicht iets voorstellen.

Hoe blij moeten we daarom zijn

met onze geestelijke gezondheidszorg

en met alle verworven kennis!

 

Die kennis van ons had men in de wereld van de Bijbel

nog totaal niet,

en dus werd alles wat wij inmiddels herkennen

als verstandelijke beperkingen,

neurologische aandoeningen,

of psychische ziektes

toegeschreven aan boze geesten,

demonische krachten, de duivel zelf.

En dus was exorcisme, uitdrijving van demonen

een belangrijke taak voor geestelijken en hun leerlingen.

Nu zal iemand zeggen

dat er op dit vlak nog altijd meer is tussen hemel en aarde

dat demonische bezetenheid niet alleen iets van vroeger is.

 

Dat is iets waar vast over te discussiëren valt,

er is altijd wel een bijzonder geval, een aparte casus.

Maar het is niet altijd een tijd van discussiëren.

Zoals nu.

 

Vanuit de serene stille verhevenheid op de berg daarboven

valt Jezus midden in het opgewonden rumoer beneden.

Er wordt gepraat, gediscussieerd, gedisputeerd.

De leerlingen en schriftgeleerden, omringd door een nieuwsgierige gemeente bespreken luid dit geval, deze casus.

Wij zien een hoogst waarschijnlijk doofstom iemand met zware epileptische aanvallen, en zij zien dus een bezetene.

Ondanks alle formules en Bijbelteksten bereiken de Schriftgeleerden niets,  

en ondanks de inzet van de leerlingen lukt ook hen niet,

wat eerder nog wel lukte, aldus Marcus.

 

Jezus lijkt geïrriteerd.

Daar kunnen we ons wel iets bij voorstellen!

Zojuist was hij nog op de toppen van de heerlijkheid.

Op de berg, alles licht, alles liefde,

helemaal God en goed,

in diepe verbondenheid met de grote profeten van toen

en zijn geliefde leerlingen van nu.

Hij is nog maar net terug

of valt met zijn neus midden in het uiterst

modderige bestaan.

Wat een contrast!

 

Jezus lijkt geïrriteerd.

Roept het uit, zonder zich specifiek tot iemand te richten,

als een algemene verzuchting:

hoe lang zal ik jullie nog moeten verdragen.

Geïrriteerd.

Maar Jezus is ook geïnteresseerd.

 

 

Maar niet in de discussie over een casus, over dit geval.

Hij is geïnteresseerd in deze mens, deze persoon.

In déze jongen.

 

Hij kijkt anders.

Hij kijkt met andere ogen.

Ziet geen afschrikwekkend iets

beestachtig of demonisch

ziet zelfs geen "hoopje ellende" -

maar ziet iemand

een mens als hij

een kind van God.

 

En uit alle macht

met alle macht hem gegeven

bevrijdt hij deze mens.

Met zijn afdaling naar het gewone leven

is hij dat niet kwijt geraakt

het straalt nog van hem af

die hemelse gloed

iets van God.

 

Maar ja

wij hebben die macht niet

en die goddelijke macht  wordt nogal selectief ingezet

zo lijkt het

wonderen zijn eerder uitzondering

dan dagelijkse werkelijkheid,

-daar zijn het ook wonderen voor- ;

de een verwacht heil van de dokter,

de ander van het gebed,

hoe zit dat nou?

 

Ja, voordat we het weten zitten ook wij weer lekker

te discussiëren,

ik geef toe daar leent dit onderwerp zich uitstekend voor!

Maar het is alsof ik Jezus ook dan hoor zuchten.

Zou Jezus zich dan ook niet aan ons irriteren?

Wil hij niet dat wij, net als zijn leerlingen toen,

uit zijn optreden iets leren , meer dan het te bediscussiëren?

 

En zou dat niet dit zijn?

Dat ook wij ons niet laten verblinden

door wat wij niet kunnen

en wat wij niet weten

maar goed blijven kijken

naar de mens

achter de casus

de mens

achter het geval.

 

Soms dus ook anders kijken.

Met andere ogen kijken.

Je kunt discussiëren over kwesties, over dingen:

‘’de armoede’’, ‘’de islam’’, ‘’de psychiatrie’’,

“de economie”,  ‘’het leger”, ‘’de criminaliteit’’,

“de zorg” , “de immigratie” en noem maar op.

Maar in geloof worden wij geroepen

altijd de méns te blijven zien

met een eigen naam

en een eigen gezicht

niet : ik praat met anderen over

die zieke

die rare

die ander

maar:  ik zie jou,

ik wil jou kennen,

mens,

uniek kind van God.

 

In alle euforie over de aantrekkende economie

over toenemende koopkracht

blijft het hard nodig om die mensen

een naam en een gezicht te blijven geven

die daarvan niet profiteren

die het gewoonweg aan basale kracht ontbreekt

en nog altijd zoveel op de koop toe moeten nemen.

 

 

 

Het grote wonder van Jezus

begint eigenlijk heel klein:

met aandacht.

Anders dan de anderen

heeft hij oprechte aandacht

voor de jongen zélf.

 

En wat ik nou zo bijzonder vind

hij was daarin in dit verhaal

niet de eerste

en niet de enige.

Er duikt nog een persoon op

waarin ik al een geweldig voorbeeld zie

van hoe God het bedoeld heeft.

 

En dat is de vader van de jongen.

Hem trouw gebleven vanaf zijn jeugd

(toen , en nu, bij ernstig gehandicapte kinderen geen vanzelfsprekendheid)

voor hem blijven opkomen

hem een stem gegeven

hem nooit beschouwd als een hopeloos geval

maar als zijn geliefd kind.

 

Zo is ook God

die God van Psalm 139

die naar ons kijkt

als een goede vader of moeder

naar zijn of haar kind

nooit een hopeloos geval

maar toch

hoe dan ook

een mens.

 

Die vader ontroert mij

ook door die eerlijke uitroep

‘’ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp”.

 

 

 

 

Dat moeten wij niet te modern rationeel opvatten.

Zo van: nou ja,  de ene keer lukt het me wel om het bestaan van God aan te nemen, en de andere keer niet of minder..

en de andere keer niet of twijfelen we daaraan.

Eigenlijk staat er:

ik vertrouw, kom mijn wantrouwen te hulp.

 

Zo is Bijbels geloof ten diepste nog altijd bedoeld.

Een kwestie van vertrouwen.

Je toevertrouwen aan Iemand

Iemand met een overmacht

aan liefde en goedheid

aan helende kracht.

Vertrouwen gaat dieper dan ons woord geloven.

Het is een levenshouding, een grondhouding.

 

En het is volkomen menselijk

om niet altijd uit zulk vertrouwen te kunnen leven.

Dat geldt ook voor kerkmensen,

ook voor ouderlingen en diakenen,

ook voor dominees…

Dus : ''Ik geloof

kom mijn ongeloof te hulp''.

Dat is voor Jezus geen reden om ons af te wijzen

of de deur te wijzen.

We pendelen in dit bestaan nou eenmaal

tussen vertrouwen en gebrek aan vertrouwen,

de ene keer op de toppen van geloof

de andere keer in het diepe dal van vertwijfeling.

 

En dat is precies

wat Marcus ons in zijn evangelie schetst

en Rafaël zo treffend in één beeld heeft gevangen.

Die twee contrasten horen bij elkaar, dicht bij elkaar,

zoals Jezus pendelen moest tussen hemels licht

en aards duister,

zo hebben wij dat ook te doen.

 

 

 

 

En dat gaat niet vanzelf.

Het kostte ook Jezus en zijn discipelen inspanning

om de berg op te klimmen

om daar in het licht te gaan staan.

Zo is dat ook in geloof.

Je moet de plekken van licht

wel opzoeken

wel je als bloemen richten

naar het licht van de zon.

Voor de één is dat hier samenkomen

is het luisteren naar het Woord;

voor de ander persoonlijk gebed en meditatie,

en weer voor een ander de vreugde en schoonheid

van natuur of kunst of muziek.

 

Want alleen dan is het mogelijk

om anders te blijven kijken

mensen in een ander licht te zien.

Je moet dan wel dat licht bij je houden.

Zoals Jezus en zijn leerlingen

het licht van de berg

niet helemaal achter lieten.

Ze droegen het voortaan ook met zich mee

die soms donkere wereld in.

 

Ik moest denken aan van die sensorlampen op zonne energie.

Als het licht is, branden ze niet,

maar als het donker wordt lichten ze op

met de zonkracht die eerder werd opgedaan.

 

Van zonlicht denkt niemand te min

laten wij ook van het licht van God

die zonkracht nooit te min denken.

Het begint misschien heel klein

het komt in het donker op gang

maar dan is er geen houden meer aan.

 

Amen