Preek zondag 9 december

Tweede zondag van advent 9 december 2018, preek ds Trijnie Bouw

bij Lucas 3 : 1 - 20

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Jullie addergebroed!

Jullie serpenten en slangen!

Voelt absoluut onwennig, maar toch ook niet geheel onprettig

om zo eens de preek te beginnen.

Natuurlijk is het eigenlijk niet grappig bedoeld.

Addergebroed!

Het is Johannes de Doper die dit zijn hoorders toebijt.

Meestal loopt het niet heel goed af met dat soort kritische

onheilsprofeten.

En dat klopt ook als het gaat om Johannes de Doper.

Hij verdwijnt in de gevangenis en uit het verhaal.

Belangrijkste is dat alle aandacht uit gaat naar Jezus.

Hij is de komende man en niemand anders.  

 

Gelukkig maar.

Als ik vroeger in de kinderbijbel keek wist ik ook wel waar ik moest zijn:

niet bij die rare kwibus, die grimmige  onheilsprofeet Johannes,

maar bij de vriendelijke kindervriend Jezus! 

Maar zoals zo vaak laten wij ons dan meer leiden door oude plaatjes,

dan door het beeld dat de bijbel ons echt schetst.

Want zo beroerd komt Johannes er echt niet van af!

Dankzij hem kunnen we onze voeten zetten “op de weg van de vrede”,

 jubelt zijn vader Zacharias in zijn loflied.

Zijn prediking leek op die van niemand minder dan de beroemde profeet Jesaja.

Hij verkondigt de mensen evangelie , goed nieuws, concludeert Lucas dan ook.

Net als Jezus!

Dat goede nieuws is dat mensen tot inkeer komen,

zich omkeren van oude wegen en een nieuwe  weg gaan bewandelen.

Al voor de kerk er was , al voor Jezus er was,  was er iets als de doop.

Mensen komen er massaal voor naar Johannes.

Met een diep verlangen.

Dat zij in de doop het oude, met alle fouten, mogen afwassen,

om als nieuw verder te gaan, een nieuw begin te mogen maken.

 

Dat de doop ook toen geen magische tovertruc was

waarna alles vanzelf ging

blijkt uit de vragen die Johannes worden gesteld:

 

Wat moeten we dan doen?

Wat moeten we doen?

vragen de mensen aan het begin van die nieuwe carrière.

Nou, 

Wees een boom van een mens,

en breng vruchten voort die bij dat nieuwe leven passen, zegt Johannes.

Dat is in de bijbel het beeld van een moreel verantwoord, goed leven,

zoals in wet en profeten is voorgeschreven. 

Dát moeten we doen!

Is dat niet erg moralistisch?

Ja, dat is erg moralistisch. Maar wat dan nog? 

 

Bij moraal denken wij aan braaf en saai, of dat meest erge :  ‘’burgerlijk’’.

Maar het beeld voor moreel goed leven

is juist aanlokkelijk en om van te genieten :

een boom vol heerlijke vruchten!

De vreugdeboodschap van de profeet is aanstekelijk en spannend :

goed nieuws breng ik u!

En gelijk hebben ze.

 

Is het niet een ongekend voorrecht voor ons mensen

dat wij niet overgeleverd zijn aan welke goden dan ook,

maar steeds weer opnieuw zelf kunnen kiezen voor wat goed is?

Is het niet een luxe dat wij niet zijn voorgeprogrammeerd

of overgeleverd aan instincten?

Dat wij kunnen veranderen, opnieuw kunnen beginnen,

en met elkaar iets goeds kunnen maken?

In tegenstelling tot andere schepselen hebben wij weet van goed en van kwaad, dat maakt ons mensen groot.

Niet voor niets was in het paradijs de boom van kennis van goed en van kwaad de meest begeerlijke van allemaal,

en waren de vruchten een lust voor het oog!

Door alle gedoe dat daarna kwam zouden we dat bijna vergeten,

maar dat is niet terecht. 

Johannes herinnert ons aan de oprechte levensvreugde en –vervulling

die het geeft als wij goed doen en goed ontmoeten.

Geen woorden, maar daden, ieder op zijn eigen plek en eigen wijze:

Voor de soldaat weer anders dan voor de tollenaar,

voor de rijke weer anders dan voor de arme,

voor u en voor jou weer anders dan voor mij,

opdat we het goed hebben met elkaar.

 

Goede vruchten voortbrengen is ook nog eens heel hard nodig.  

Als verweer tegen al het kwaad in onze wereld.

Johannes wordt er met zijn goede nieuws zelf slachtoffer van.

Want Herodes is geen man van goede vruchten,

maar van slechte dingen en hij sluit Johannes op in de gevangenis.

 

Het is zo wel lekker duidelijk in dit verhaal :

je hebt de goeden en de slechten, de schurken en de helden.

Duidelijk, maar toch niet meer van deze tijd?

 Wij hebben geleerd niet meer zo zwart – wit te denken.

Wie fout was had toch ook goeds in zich,

en wie goed was bleek toch ook niet brandschoon.

Dat we kritisch kunnen nadenken,

andere inzichten toelaten en durven nuanceren,

ook dat is iets dat ons als mensen groot maakt. 

 

Al kunnen we er ook in doorslaan: dan relativeren we alles,

is wat voor jou ''goed voelt'' iets anders dan voor mij ''goed voelt',

lijkt het alsof goed en kwaad niet meer bestaan

en we wat ronddolen in één groot grijs gebied.

Maar wie staat er dan nog op om te strijden voor het goede?

Wie verheft dan nog de stem om te protesteren tegen kwaad?

Wie weet nog te ontvlammen in heilige verontwaardiging ?

Wie brandt nog van verlangen om goede vruchten voort te brengen?

Te lang ronddolen in een grijs gebied maakt ons onverschillig, egoïstisch,

en vooral zelfgenoegzaam en heel tevreden met ons zelf.

 

 

 

 

 

Addergebroed, klinkt het juist dan!

Slangentaal is het volgens Johannes,

dat vergif van de zelfoverschatting en onaantastbaarheid.

In het paradijs wist de slang ons hier al mee te besmetten  

en bracht zo de keerzijde van onze grootsheid aan het licht.

In onze verheffing loert ook onze valkuil.

Ieder voordeel heeft zijn nadeel.

 

Juist ómdat wij weten van goed en van kwaad,

hebben wij onze onschuld verloren, staan ook wij naakt en vol schaamte.

Want hoe aardig het goede leven je ook afgaat,

je maakt onderdeel uit van dat hele zondige en onrechtvaardige

bestaan in deze wereld.

Je kunt nooit zeggen :

ik heb het niet geweten, ik heb het niet gezien,

ik heb het niet gewild, ik deed er niet aan mee.

Want ook niets doen is iets doen.

 

Ik ben geen Freek Vonk en van slangen weet ik weinig,

maar van gif weet ik wel wat.

En dan vooral van het gif van het wantrouwen

dat zich razendsnel verspreiden kan

en het trage en kwetsbare medicijn

dat vertrouwen heet zomaar kan verdringen.

 

Het gif van wantrouwen weet altijd weer nieuwe kanalen aan te boren.

Zo lijkt het iets van onze tijd om bijna per definitie wantrouwend te zijn ten opzichte van iets als gezag en gezagsdragers;

of het nou de leerkracht of de dokter is,

de overheid of de wetenschap,

de kerk of de kerkenraad.

 

Ook hier hebben mannen en vrouwen uit het midden van de gemeente jullie vertrouwen gekregen om voor een periode samen met de predikanten als ouderlingen, diakenen en kerkrentmeesters de gemeente voor te gaan.

Nee, onfeilbaar zijn we niet, maar we doen het met hart en ziel,

gaan ook de moeilijke vragen niet uit de weg,

in alle oprechtheid zoekend naar wat de best begaanbare weg

is voor deze gemeente. 

Bijeen als gezamenlijke kerkenraad vragen we ons samen,

met onze verschillen af:

Hoe werken we aan vertrouwen?

Hoe doen we dat met visie, en met verstand?

En vooral :

Waartoe zijn we geroepen?

Hoe luisteren we naar de stem van God?

Wat is daarin goed rentmeesterschap? 

Zo gaat dat daar, dat kan ik u verzekeren,

u heeft mijn woord.

 

Maar ja, als het gif van wantrouwen zijn werk goed doet,

sluipenderwijs of plotsklaps,

word je niet zomaar meer op je woord geloofd.   

Toen mij dat jaren geleden voor het eerst overkwam

weet ik nog, naïef misschien, hoe van slag ik daarvan was.

Dat je woorden niets meer uithalen,

dat je woorden worden verdraaid,

dat je op je woorden wordt gepakt,

dat men met je woorden aan de haal gaat.

 

Het woord heeft kracht,

maar als het gif zijn werk goed heeft gedaan, niet meer.

Dat merk je dan -

op je werk of op school of in je relaties.

Wat moet je dan doen?

Dan beter even geen woorden, maar zeker altijd de daden,

Betrouwbaar zijn en blijven,  en hopelijk

vertrouwen winnen door je vruchten,

door wat je doet en hoe je bent;

dat is het enige maar wel meest krachtige tegengif dat er bestaat.

 

Ach ja, dat gif van wantrouwen.

Wie kent het niet als je er even over nadenkt?

Misschien heb je het zelf aangewakkerd

doordat je het vertrouwen van die andere beschaamde.

Misschien heb je het helpen verspreiden

door mee te doen met geklets en stemmingmakerij.

 

Misschien heb je de voedingsbodem ervoor versterkt

door te zwijgen waar jij had moeten spreken.

Misschien verdient die ander ook niet geen vertrouwen.

Maar wantrouwen is als een gif

dat eenmaal genesteld in jouw hart

zich niet gemakkelijk laat verdrijven

en ook zomaar weer actief kan worden.

 

Al die slangentaal,

al dat slangengif..

Komen we er wel met onze goede bedoelingen

en onze goede daden?

Nee, beseffen we juist in deze tijd van inkeer en bezinning.

Nee, zegt Johannes eerlijk, er is meer nodig,

en dan wijst hij naar Jezus.

 

Wat moeten we doen?

Wat  nog meer? Net als Jezus ons laten dopen.

Mee ondergaan in de Jordaan.

Op die grens van leven en dood, woestijn en beloofd land.

Zelfs Jezus liet zich dopen , voelde zich niet groot genoeg

om mee kopje onder te gaan in het lijden en de strijd van ons bestaan.

Zouden wij daaraan dan ontkomen?

Daarom zul je moeten accepteren dat er veel niet maakbaar is,

al dragen wij met z’n allen nog zoveel goede vruchten.

Besef je dat er situaties zijn die naar zijn en naar blijven.

Dat er mensen zijn die jij niet kunt bereiken.

Dat jouw eigen mogelijkheden, hoe groot ook, uiteindelijk altijd beperkt zijn.  Dat er niemand is die geen vergeving nodig heeft.

 

Er is méer nodig, zegt Johannes.

En wat nog meer? Net als Jezus niet vergeten te bidden.

Dat is veel meer dan een gebed uitspreken.

Bidden is een houding van ontvankelijkheid en openheid.

Vergeving aanvaarden. De Geest aanvaarden.

Open staan voor kracht die ons te boven gaat,

verwonderd en verrast dat het toch anders kan!

 

 

 

En als wij niet zelfs niet meer kúnnen vragen ‘’wat moet ik doen’’,

als er geen daden zijn,

en zelfs geen woorden?

Dan ben je nog niet vruchteloos.

Er blijft zoveel mogelijk :

liefde, vreugde, vrede, geduld,

vriendelijkheid, goedheid,

geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.

Geen woorden, geen daden,

maar o zo reëel, deze vruchten.

 

Zo verwachten wij de komst van de Heer

zo bereiden wij ons voor,

ja breng ze voort:    die vruchten van de Geest,

met geneeskrachtige werking,

zelfs voor addergebroed.          

 

 

 

 

Amen