Preek zondag 10 maart

Na de preek zingen wij het lied ‘’veertig dagen nog tot Pasen”

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

"Waarom hoor ik in de kerk nou nooit een inspirerend verhaal

over een succesvol gelovig iemand?

Iemand die het goed doet en goed heeft

die het helemaal gemaakt heeft,

en die zijn geloof en de kracht die hij daaraan ontleent

 daarbij niet onder stoelen of banken steekt? 

Zou dat niet veel aantrekkelijker zijn,

met name voor jongeren? "

 

Tja, daar werd ik even stil van terwijl hij me kritisch en verwachtingsvol aankeek

en zich, ook na mijn opmerking dat de tekst van de zondag

zich daar echt niet voor leende,  niet af liet schepen.

(Overigens was het na een preekbeurt elders in het land,

dus je hoeft je niet af te vragen wie dát nou geweest kan zijn .)

 

Ook deze zondag zou hem vrees ik weinig aanknopingspunten bieden.

Het is vastentijd

Veertigdagentijd

voor sommigen nog steeds wat nieuwe namen

voor wat ook wel lijdenstijd werd en wordt genoemd.

 

Ook met de nieuwe namen willen we Jezus’ lijden niet bepaald

uit de weg gaan.  

Want  bij de voorbereiding van deze dienst besefte ik

hoe veel kracht eruit gaat van juist dát beeld van Jezus niet uit:

zijn kruis dragend, pijn lijdend als een zwak en kwetsbaar mens,

met martelgang en dood in het vooruitzicht.

Een beeld van een mens, treffend,

maar eerlijk gezegd daarin niet uniek.

Als je met open ogen door deze wereld en haar geschiedenis gaat

komt je het vaker tegen dan je lief is

gemartelde en vermorzelde mensen…

 

 

 

 

 

 

Jezus moet dat lot ondergaan

ver verwijderd van roem en Koninkrijk en God.

Maar juist zo mens onder de mensen.

Juist dan wordt ook hij besprongen door twijfel,

geteisterd door angst en komt hij in grote verleiding

zijn opdracht  aan zijn Vader in de Hemel terug te geven.

Voor velen is het ontroerende moment in Getsemane

waarin hij vraagt of deze drinkbeker vol gif en pijn aan hem voorbij mag gaan dan ook hét moment van de verzoeking van Jezus.

Je voelt er de spanning mee, 

de grote verleiding het bijltje erbij neer te gooien. 

Eigenlijk veel meer dan in dat verhaal van vandaag,

ook al draagt dat vanouds de titel

‘de verzoeking van Jezus‘.

 

Want zeg nou zelf;

Jezus die als in een sprookje wordt bestookt door de duivel,

- alsof daar nog iemand in gelooft. 

Jezus die van berg naar tempel vliegt

en uiteraard glansrijk en met gemak alle beproevingen doorstaat.

Zoiets als de film Superman:

vermakelijk, maar ver van je eigen aardse bed.

 

Het heeft ongetwijfeld het karakter van een proefneming,

een soort test.

Want die stem kan wel roepen: deze is de zoon van God, 

en wie anders dan Hij zal zich houden

aan de rechte wegen en geboden van deze God,

maar dat moeten we nog maar eens zien.

En dus wordt hij meegevoerd naar grote hoogte

met reusachtig bezit, macht en roem onder handbereik,

alles om het succesvol te gaan maken.

Maar echt spannend wordt het niet.

Bij ons lezers bestaat

geen enkele spanning of twijfel of Jezus deze verleiding zal kunnen weerstaan. Het koninkrijk der wereld interesseert hem natúúrlijk niet,

en natúúrlijk verkoopt hij zijn ziel niet aan de duivel.

 

 

Is dat omdat we Jezus niet onderschatten,

of onderschatten we misschien het reële gevaar van deze verleiding?

Voor Lucas is het namelijk klip en klaar:

als er iets is dat mensen innerlijk verscheurt,

als er iets is dat de mensheid in een grote tweedeling uiteensplijt

dan is het succes, bezit, rijkdom, macht. 

Dat kunnen wij toch nauwelijks ontkennen.

Het is verbazingwekkend hoe snel je went

aan je positie daar hoog op die ladder.

 

Opnieuw wordt Jezus daarom naar een hoogte meegevoerd.

Nu naar de tempel.

Daar moet hij zich als zoon van God toch helemaal thuis en veilig weten;

Hij is om zo te zeggen op eigen terrein.

Is het dan zo gek te veronderstellen dat er handen zullen zijn

om je te dragen in doodsgevaar?

Is het dan niet legitiem om te vragen om redding uit doodsnood?

Het klinkt zo redelijk.

Ze klinken zo aannemelijk.

Die stemmetjes in jezelf die je steeds maar lastig vallen,

aan het twijfelen brengen, onrustig houden en vooral:

je afhouden van het gewoon maar gáán van de weg van Jezus.

 

Ook als die weg ons door de woestijn voert.

Daar waar je worstelt om nog een begaanbare weg te vinden.

Daar waar je je verlaten voelt door alles en iedereen.

Daar waar je al je kracht nodig hebt om te overleven.

Daar waar het volk Israel zich ooit vertwijfeld afvroeg of

ze werkelijk de juiste weg hadden gekozen

door Egypte met zijn zekerheid van water en brood achter zich te laten.

Daar waar het volk de tien geboden,

de tien leefregels voor goed samenleven had ontvangen,

maar zich vertwijfeld afvroeg

of ze zo’n goed, beloofd land ooit zouden bereiken.

Daar dus.

In dat soort woestijnen.

Hoe venijnig is dan dat duivelse stemmetje:

waar is die God van jou? Gods weg?

Eerder de weg van een dwaas!

 

De aanval is venijnig en vraagt om de juiste verdediging.

En daarom zie ik dit verhaal aan het begin van het evangelie

als een begin van lessen in weerbaarheid.

Wie de weg van Jezus gaat moet blijkbaar niet denken

dat het beloofde land al daar is.

Die moet zeker niet denken dat hem woestijn bespaard zal blijven.

En die moet zich waken voor de verleiding

te gaan mopperen of wild om zich heen te gaan slaan

bij weer zo’n rottige valkuil of listige luchtspiegeling.

 

Want óók in de woestijn

misschien wel juist in de woestijn

gelden de wetten van het beloofde land;

ook in jouw woestijn gaat het niet alleen om brood voor jezelf,

maar om heel maken wat gebroken is;

ook in je diepste angst en grootste verlatenheid

blijft het grote gebod van God gelden:

heb God lief en je naaste als jezelf.

En als je de woestijn uitkomt weet je net als bij Jezus:

de duivel ging slechts voor een tijd bij hem vandaan.

 

Lessen in weerbaarheid zijn het.

Voor als jij besprongen wordt

door de stem van angst en wanhoop

verleiding en verraad

 

Die stem gaat 'voor een tijd' bij Jezus vandaan.

Om in Gethsemane terug te keren en nu sterker dan ooit.

Wat voelen we dan mee met die angst en eenzaamheid van Jezus.

Wat voelen we dan hoe onmogelijk de roeping is

om vast te houden aan de wil van God;

te leven uit vergeving en ontferming met de ander.

Dát in en door persoonlijk lijden heen uitdragen is iets onvoorstelbaars groots.

 

Ja de veertigdagentijd is óok lijdenstijd.

Maar dat is wat anders dan Jezus’ lijden uitvergroten

om hem groter te maken ;

dan kunnen we uit de historie na Christus

helaas nog wel veel gruwelijkere marteldoden verzinnen.

Voor Lucas zit de grootsheid hem in de weg zelf,

een weg van opofferende liefde van God,

een weg die loopt van Adam tot David tot Jezus

tot wie ook maar aangeraakt wordt door de Geest van God.

Het is een weg mét Israel mee, dwars door de woestijn.

Maar onze eindbestemming is daar niet.

 

De weg van Jezus leid je uit de woestijn

door het water van de dood naar nieuw leven.

Jezus’ weg heeft niet als eindbestemming Getsemane of het kruis,

maar voert verder,

 in die wondere wereld

van opstanding en nieuw leven en hoop voor de toekomst.

 

Het lijdensverhaal is alleen maar te verdragen

omdat we leven vanuit Pasen,

met het beeld van het open graf op ons netvlies.

De woestijn blijft voorlopig een onvermijdelijk kwaad,

met alle lijden en alle verleidingen die de woestijn eigen is.

Maar we zijn er nooit alleen:

voor wie het durft geloven

zijn er de visioenen van vrede, oases van heil en zegen,

en een stem uit de hoge.

Voor wie het wil geloven komen we juist in de woestijn ook Jezus tegen: 

niet als filmheld of superman,  

maar als iemand die van elk succesvol leven heeft af gezien.

 

Nu zijn wij Jezus niet.

En het lijkt mij geen zonde om de volheid van het leven te proeven

om ambities te hebben

en om succesvol te zijn in werk, sport of wat dan ook,

het is genade om dat in geloof te kunnen doen

om je voorrechten te gebruiken

om van je rijkdom uit te delen

en tot voorbeeld van jongeren te zijn

 

maar dat mag nooit de werkelijke gedaante

van Hem die wij volgen verhullen

 

 

 

 

De Tsjechische theoloog Tomas Halik zegt :

 

"Mijn God is de gewonde God.

Ik geloof niet in goden en religies die vrolijk

in deze wereld rondspringen zonder geraakt te worden door haar wonden -

zonder schrammen, littekens of brandwonden -

en zo op de hedendaagse religieuze markt alleen

hun blinkende charme tentoonstellen."

 

Daarom inspireert hem

het verhaal van Sint Maarten

die op een keer wordt bezocht

door Satan

in de gedaante van Christus.

Hoe hij dat weet?

Hij vraagt hem:

waar zijn je wonden?

 

Een Christus zonder wonden

daarin kan hij niet geloven

 

en wij?

wij ook niet?

 

Amen